voorzijde van het boek De jacht op een idee

Ben ik een professional?

Lezen in ‘De jacht op een idee’ van Jos Kessels
Hans Bolten ©

Er zijn mensen die vinden dat praktische filosofen een echt beroep hebben, een heuse professie. Misschien vind jij dat ook wel, maar waarom eigenlijk? Op grond waarvan kan iemand claimen, ik bijvoorbeeld, een professioneel praktisch filosoof te zijn? Een minimumeis om in welk vak dan ook voor professional door te gaan is dat je kunt laten zien wat je in je vak of professie doet én dat je kunt uitleggen waarom je dat zó doet. Praktische filosofen kunnen bijvoorbeeld verslagen publiceren van gesprekken met groepen of individuen, met daarbij een uitleg van hun handelen. Met zo een uitleg zal een praktisch filosoof dus óók theoretisch voor de dag moeten komen, zich in een filosofisch discours moeten begeven, het gaat tenslotte om praktische filosofie. Let wel: als hij voor professional wil doorgaan. Mijn stelling is nu dat een praktisch filosoof die op zo een manier verslag uitbrengt van zijn werk onvermijdelijk iets laat zien zijn filosofische professionaliteit en daarmee iets van zijn praktische professionaliteit – zelfs als hij daar niets over schrijft.  Hiermee heb ik enigszins de achtergrond van mijn bijdrage geschetst. De concrete aanleiding ertoe was het lezen van een artikel van Jos Kessels, ‘Socratisch gesprek – spelen met betekenis’(1).
In zijn artikel formuleert hij enkele vragen omtrent het ambacht van de praktisch filosoof, i.c. socratisch gespreksleider: “Hoe hou je de deelnemers aan een Socratisch gesprek gemotiveerd?”,  “Wat kun je doen om te voorkomen dat ze meestal onmiddellijk de greep op het gesprek verliezen?” Ambachtelijke vragen noem ik dat, en voor mij interessante vragen. In het artikel beschrijft hij onder andere een instrument uit zijn praktijk, het ‘kralenspel’, maar hoe hij een gesprek daarmee begeleidt staat er niet in. In zijn boek De Jacht op een Idee(2) geeft hij uitgebreider weergaves van gesprekken. Met in mijn achterhoofd de vraag naar het ambacht ben ik dat weer eens gaan lezen. Hieronder breng ik verslag uit van mijn lezing(3). Niet om kritiek te leveren op een praktijk of inhoudelijke positie, maar om de vraag naar de verhouding tussen ambacht en schrijfwijze voor het voetlicht te krijgen. Ik denk dat die vraag van levensbelang is voor de filosofische praktijk. En het antwoord ook.
In zijn boek beschrijft Jos Kessels(4) enkele gesprekken met het ‘kralenspel’, een instrument om een filosofische kwestie aan de hand van een casus te onderzoeken. Het verloopt volgens een bepaald plan: de deelnemers krijgen naar aanleiding van de casus een aantal standaardvragen voorgelegd, de zgn. ‘kralen’, die “één voor één, van beneden naar boven, van links naar rechts worden (…) langsgelopen”(5). Eén van die gesprekken is op een “chique locatie” met vijfentwintig deelnemers, burgemeesters, wethouders, gedeputeerden en deskundigen. Zij hebben het over het lastige parket waar zij zich soms in bevinden wanneer burgers en belangenorganisaties zich verzetten tegen de uitvoering van een overheidsplan. Zo vertelt een wethouder hoe in haar gemeente lang was gewerkt aan een plan voor de ontwikkeling van een industriegebied. Maar toen uiteindelijk met de uitvoering daarvan kon worden begonnen gooide een milieugroepering roet in het eten: het uitbreidingsgebied bleek een voedingterrein van bruine en blauwe kiekendieven. Het plan werd doorkruist. Dat is dus de casus in het gesprek en de deelnemers krijgen nu de vragen voorgelegd: “hoe zou jij je in deze situatie voelen en wat zou je doen?”[vi] De één zegt dat hij een juridisch gevecht zou aangaan, de ander dat hij contact met het ministerie zou zoeken en een derde zelfs met Brussel. En…, iemand  zou het gesprek met de milieugroepering aangaan, “de spelbrekers”[vii]. Tot hier de samenvatting van het begin van het gesprek met het kralenspel, in het boek staat het natuurlijk levendiger en uitgebreider.
Tot hiertoe heeft het gesprek enkele uren geduurd en het verslag beslaat zo’n vijf pagina’s. Daarin staan de volgende  interventies van de gespreksleider: “Wat is uw vraag aan de wethouder?”, “Doe het eerst maar eens, dan komen we er straks wel op terug”, “Wat zou je doen in de schoenen van de wethouder?” en “Heb je daar tijd voor als wethouder?”[viii] Vier interventies in een gesprek van een paar uur: het is dus niet echt zichtbaar hoe de gespreksleider het gesprek stuurt, hoe hij mensen uitnodigt, onderbreekt of samenvat. Het is een reconstructie van wat zich vóór of buiten hem heeft afgespeeld. Kortom: zijn eigen ambacht is onzichtbaar. Dat is een groot verschil met de dialogen van Plato, waarin het ambacht van Socrates voor elke lezer zichtbaar is, als hij zijn gesprekspartners verleidt, vermaant, bevraagt, beledigt, bemoedigt of ronduit schoffeert[ix]. Dit is echter geen verwijt, niemand is verplicht om over zijn vak te schrijven, dus ook Jos Kessels niet. Bovendien gaat het hier niet om een handboek voor socratisch gespreksleiders.
Het gesprek gaat verder. De bestuurders krijgen nu de vragen voorgelegd: “Wat is de juiste houding in de situatie waarin de wethouder zich bevond?”, “Wanneer laat je zo een plan los?”[x] En dan gaat het mis, de bestuurders voegen zich niet naar het plan: “In plaats van de grenzen en de voorliggende keuzes preciezer in beeld te brengen en te formuleren welke idee hier richtinggevend is, vielen de deelnemers terug in hun oude jargon, in makkelijk, risicoloos, quasiprofessioneel gepraat”[xi]. Iemand zegt dat er “een loket moet komen voor dit soort zaken”, een ander dat ze meer “ruggensteun van het ministerie” nodig hebben en een derde dat “veel bestuurders onhandig zijn omgesprongen met de juridische kaders”. “Let op”, schrijft de auteur hierbij, “dit is een algemene uitspraak, weg van de casus, en vooral van zichzelf…”[xii]. En dan: “Ik voel het gesprek uit mijn  handen glijden, er is geen houden meer aan. Snelle verwijzingen naar persoonlijke ervaringen zonder ergens diep op in te gaan, algemene oplossingen voor algemene problemen, een toon van klagen, losse, niet onderbouwde conclusies (…) En zo gaat dat verder. De casus is geheel verdwenen”[xiii]. Kortom: het socratisch plan is doorkruist, in een gesprek over een uitbreidingsplan dat werd doorkruist door ‘spelbrekers’, milieubeschermers die wilden opkomen voor de “stemlozen”[xiv].
Dit deel van het verslag vermeldt nog minder interventies van de gespreksleider dan zoeven, namelijk geen. “Ik zit erbij en ik kijk ernaar“, schrijft Jos Kessels. Over wát hij dan ziet, en wat hij daarbij denkt, schrijft hij: “Ze willen allemaal deskundig zijn, de situatie in de hand hebben. Maar vakmanschap, dat wil zeggen beheersing en controle, is nog geen meesterschap. Dat laatste gaat juist over de vraag hoe je het hoofd koel kunt houden en de geest open wanneer je de situatie niet in de hand hebt. Dat is pas senioriteit, echte professionaliteit”[xv]. Dat is een mooie vraag: hield de gespreksleider hier het hoofd koel en de geest open toen de situatie uit de hand liep? De tekst zegt er niet over en vervolgt meteen met: “We sluiten het gesprek af. De secretaris-generaal spreekt lovende woorden en wenst iedereen wel thuis.[xvi]
De gespreksleider gaat nu naar huis en onderweg dringt zich de vraag naar het meesterschap en professionaliteit ook aan hem op. “Ik probeer”, schrijft hij, “mezelf voor te houden dat de vraag die voor hen geldt, hoe je in verwarring en ongewisheid het hoofd koel kunt houden en de geest open, ook voor mij persoonlijk geldt. Maar het wil niet erg lukken”[xvii]. Hier eindigt het praktijkverhaal. Over de professionaliteit van de gespreksleider valt niets te zeggen omdat het ambacht onzichtbaar is. Dat is geen verwijt maar een constatering.

Een mislukt gesprek vraagt om reflectie. En al wilde dat op weg naar huis niet erg lukken, later kennelijk wel. Want de gespreksleider verdwijnt nu uit de tekst en de auteur neemt het woord. Terugkijkend op het gesprek noemt hij twee redenen waarom het volgens hem “mis ging”[xviii]. De eerste is dat “dialectiek, de kunst van de dialoog, vergt dat je een tijdlang in de rol van de denker kunt blijven zitten (…)“; daar is geduld en precisie voor nodig. En de tweede reden is dat je “in een dialoog (…) niet op zoek [bent] naar de oplossing van een probleem, maar naar de onderliggende redenen van zo’n oplossing”. Dat is, schrijft Jos Kessels, “voor mensen van de daad (…) vaak al gauw een brug te ver”[xix]. Nu herinner ik mij de woorden die ik hierboven al aanhaalde: “dit is een algemene uitspraak, weg van de casus”. Hoe, vraag ik mij af, weet de auteur dat het om deze redenen mis ging in dit gesprek?, dat de deelnemers geen geduld hadden, dat zij mensen van de daad waren, en dat het ze daarom een brug te ver was? Zeiden ze dat, dat ze geen geduld hadden? Zouden ze met zo een beschrijving instemmen? Ik lees er niets over in de tekst. Het zijn losse beweringen[xx] waarvan niet duidelijk is of ze betrekking hebben op een aanwijsbare stand van zaken, i.c. het gesprek met de bestuurders. Terwijl het er volgens de auteur  in een dialectisch gesprek nu net om gaat dat een “bewering wordt getoetst: klopt hij in de situatie die we bespreken?”[xxi]. Maar nu hij zélf op een situatie terugkijkt doet hij dat niet.
Er zijn echter, volgens de auteur, “fundamentelere redenen”[xxii] waarom het hier mis ging. Hij wijdt daar een aparte beschouwing aan. Die gaat over wat een “ideeëngesprek” is en wat daar lastig aan is. Het hele betoog vat hij samen als hij zegt dat het in een ideeëngesprek gaat om: “terugdenken in plaats van vooruit, eerst vooronderstellingen onderzoeken in plaats van onmiddellijk plannen opstellen, en jezelf de maat nemen in plaats van jezelf buiten schot plaatsen”[xxiii]. Deze uitspraak wordt in de tekst op één plek in verband gebracht met het gesprek van de bestuurders. Hij zegt daar dat de deelnemers aan het gesprek “geschrokken van de nieuwe manier van praten (…) terugvallen in hun oude manier van doen”[1] Maar hoe weet hij dat? Zeiden de deelnemers dat? Of niet, maar zouden ze er wel mee instemmen? Of zijn ze hierin stemloos? De tekst zegt daarover niets. Het is een losse bewering. Samenvattend constateer ik dat de auteur geen enkele reden geeft waarom het mis ging in dit gesprek, hij doet er alleen maar losse beweringen over.

Maar zo los als die beweringen zijn, ze hangen wel samen. De gemeenschappelijke inhoud ervan is dat het de gespreksdeelnemers aan iets ontbrak: inzicht, geduld, precisie, onverschrokkenheid. De ik-persoon, auteur, gespreksleider komt niet in beeld, terwijl die nu net zegt dat het er in een dialectisch gesprek om gaat ‘jezelf de maat te nemen in plaats van jezelf buiten schot te plaatsen’. Hij doet dus als auteur niet wat hij van anderen wel vraagt, nl. zichzelf de maat nemen. Hij schrijft in disharmonie met zijn dialectische methode. Dat is gewoon maar een constatering. Is dat erg, die disharmonie? Is het onprofessioneel? “In ons werk”, schrijft de auteur,  “proberen wij anderen (…) te verleiden tot het kralenspel, de dialectiek (…) Dan moet je het dus ook op jezelf toepassen”[1].


________________________________________

(1) Kessels, J., ‘Socratisch gesprek – Spelen met betekenis’. In: Filosofie en Praktijk (32/3), p. 101-111. Budel: Damon, 2011.
(2) Kessels, J., (JI) De jacht op een idee. Amsterdam: Boom, 2009.
(3) Letterlijke citaten zijn geef ik weer tussen dubbele aanhalingstekens. Tussen enkele aanhalingstekens staan geciteerde uitspraken van deelnemers aan het gesprek en eerder door mij aangehaalde citaten van de auteur.
(4) Het boek is (voornamelijk) in de ik-vorm geschreven, maar er zijn meerdere ‘ikken’, o.a. een ‘acteur’ en een ‘auteur’. (Te) simpel  gezegd: de acteur is ín de tekst degene die buiten de tekst (misschien ‘in het echt’) iets heeft gedaan, de auteur geeft commentaar op de acteur én is redacteur van de tekst, en dus ook regisseur van de acteur. Verwijzend naar het eerste ‘ik’ spreek ik van ‘gespreksleider’, ‘praktisch filosoof’ of ‘socraticus’, verwijzend naar het tweede van ‘auteur’ of ‘schrijver’. Een analyse van de we-vorm in de tekst zou op zich al een artikel vergen.
(5) p. 139
(6) p. 44
(7) p. 45
(8) Respectievelijk: JI, p. 40, p. 45, p. 44, p. 45
(9) Socrates voldoet overigens niet aan de professionaliteitseis die ik aan het begin heb geformuleerd; nergens legt hij het waarom én het hoe uit van zijn handelen.
(10) p. 54
(11) p.54
(12) p. 55
(13) p. 55-56
(14) p. 49
(15) p. 56
(16) p. 56
(17) p. 57
(18) p. 58
(19) p. 58-59
(20) ‘Losse bewering’ munt ik hier als technische term: een oordeel zonder referentie, d.w.z. een uitspraak waarvan niet, of nog niet, duidelijk hoe hij op de werkelijkheid betrekking heeft.
(21) p. 62
(22) p. 59
(23) p.70
(24) p. 66
(25) p.118