… mach ic v tellen hoort naer

Wat mij aan het hart gaat in mijn werk is, voornamelijk: congruentie. Dat brengt voor mij als filosoof de vraag met zich mee: ben ik bereid en in staat om mijn eigen overtuigingen steeds weer te onderzoeken en vorm te geven? Het betekent ook dat het schrijven, voorzover een filosofische activiteit, niet onbedacht kan gebeuren – de vorm is niet onschuldig. Ook een voorwoord niet, zelfs (of juist?) niet bij een kort verhaaltje.
De feitelijke aanleiding voor het schrijven van onderstaande tekst wordt in onderstaande tekst beschreven. Als ik er hier nog meer over wil zeggen, kan ik maar beter al het onderstaande copy-pasten.
Het is niet mijn doel om een stelling of boodschap voor het voetlicht te krijgen, laat staan die te verdedigen. Het gaat mij eerder om het opwekken van een interesse. Uiteindelijk komt het er op neer, dat ik iets heb meegemaakt wat mij nogal aan het denken heeft gezet. Daarna heb ik er het volgende verhaal over geschreven. Misschien dat het u op vragen of gedachten brengt. Dat zou mooi zijn.

Laatst zat ik aan de lunch tegenover iemand die regelmatig socratische gesprekken begeleidt. Nu doe ik dat zelf ook wel eens, dus we hadden al vrij snel een gesprek over socratische gesprekken. Een gesprek tussen vakgenoten. Zomaar, tussen de salades, belegde broodjes en glazen karnemelk. Het ging over een nieuwe vorm van socratisch gesprek waar ik de laatste jaren vaak mee werk. Traditioneel gaat een socratisch gesprek over een verhaal dat door een van de deelnemers is verteld – een, naar hij of zij zegt, waar gebeurde historie. De andere gespreksdeelnemers horen het verhaal voor het eerst, zij hebben er part noch deel aan gehad. Vaak wordt het daarna op flip-over geschreven en dan lezen zij het voor het eerst: “Een maand geleden zat ik te eten met een collega en we praatten over…”, enzovoort. Maar de gesprekken zoals ik ze steeds vaker begeleid, gaan over iets wat de gespreksdeelnemers samen hebben gedaan, voorafgaand aan het gesprek. Dat kan een wandeling zijn geweest, het maken van een schilderij, het afschieten van pijl, of wat dan ook.
‘Wat is daar nu eigenlijk de winst van’, vroeg mijn tafelgenoot, ‘om in een socratisch gesprek te werken met van die groepsactiviteiten in plaats van met een gewoon voorbeeld?’
Ik proefde een zekere afkeuring in de vraag en ik ging er eens goed voor zitten. Vaak genoeg ben ik het, die de vragen stelt. Ik had er geen bezwaar tegen om zélf ook eens bevraagd te worden.
‘Nou’, zei ik, ‘wat ik meemaak, is dat mensen er heel erg bij betrokken zijn, veel meer dan bij een gewoon socratisch gesprek.‘
Mijn gesprekspartner veerde op: ‘Oh, maar dat is in mijn socratische gesprekken ook zo! Als iedereen zich goed in het verhaal heeft ingeleefd, dan zijn ze er heel erg bij, hoor. Ik vind dat niet zo verschillend. Dus wat is nu het voordeel van die groepactiviteiten?’
Ik verbaasde mij over die reactie. Ik dacht dat hij mij iets vroeg over mijn werkzaamheden, over mijn opvattingen. Waarom begon hij dan ineens over zijn eigen verdiensten?
‘Inleven?’, vroeg ik. ‘Je bedoelt dat iedereen goed naar het verhaal van de verteller luistert en daar een nauwkeurig beeld van heeft?’
‘Ja’, zei hij.
‘Natuurlijk’, zei ik ‘in een gewoon socratisch gesprek is er ook betrokkenheid. Tenminste, als het goed is. Maar ik heb het over iets anders. In een gesprek waarin één persoon een verhaal vertelt, zijn de andere gespreksdeelnemers uiteindelijk buitenstaanders, toeschouwers. Zij doen na verloop van tijd wel allerlei uitspraken over dat verhaal en over wat de verteller gedaan heeft, maar hun eigen handelen is daarbij niet aan de orde. Simpelweg omdat zij de verhaalde gebeurtenissen niet hebben meegemaakt. Uiteindelijk staan zij buiten het verhaal, zoals een lezer buiten een boek. Maar wanneer mensen een gesprek hebben over wat zij samen hebben gedaan, over iets waar zij allemaal met hun neus bovenop stonden, en zij onderzoeken dán elkaars woorden en daden…ja, dan is het allemaal wat minder vrijblijvend. Dan staat er heel wat meer op het spel.’
‘Tja, ik zie dat niet hoor’, zei hij, ‘ik maak vaak genoeg mee dat het er heet aan toe gaat in een gewoon socratisch gesprek. Wat is nu precies het verschil?’
Ja, wat was dat nu? Was het zo onbegrijpelijk wat ik zei? Wilde hij het eigenlijk wel begrijpen? Of zat ik onzin uit te kramen? Hij had nog nooit aan zo een gesprek deelgenomen, hoe kon hij nu weten waar ik het over had? Ik nam een nieuw aanloopje.
‘Goed, even anders’, zei ik. ‘Laten we eens uitgaan van een gewoon socratisch gesprek. Dan is er iemand die een verhaal vertelt, ja? Dat begint bijvoorbeeld met: “Laatst zat ik in vergadering met de andere mensen uit mijn team en na een half uur praten, namen we het besluit om…”. En dan komt er nog een heel verhaal. Je kent dat wel, hè?’
Hij humde instemmend.
‘Zo een uitspraak als “we namen samen een besluit”’, zei ik, ‘nemen de deelnemers vaak voor zoete koek aan.
‘Hoezo? Dat is toch gewoon het verhaal van de verteller?’
‘Ja’, zei ik, ‘dat is zo. Maar het punt is dit: zo iemand kan wel zeggen: “we namen we het besluit…”, maar wie beslist er nu of die uitspraak waar is of niet? Niet die mensen uit dat team, want, ja, die zijn er niet bij, in het socratisch gesprek. En wat zouden die vinden van dat woordje “we”?’
‘Hoezo?, vroeg hij, ‘wat is daar dan mee?’
‘Wat daarmee is? Kijk, ik geef dat voorbeeld niet zomaar. Vorige week hád ik zo een gesprek over een besluit, maar dan naar aanleiding van een gezamenlijke activiteit die de groep buiten had gedaan. Er was iemand die zei: “buiten hebben we het besluit genomen om …”, en toen kwam er nog het een en ander. Maar niet iedereen was het ermee eens dát er een besluit genomen was! We zaten dus onmiddellijk met de vraag: “was daar nu sprake van een besluit?”. Dat is een heldere vraag, die meteen aangepakt kan worden. Je hoeft je dan niet eerst een paar uur in een verhaal van één deelnemer te verdiepen. Zo een gesprek krijgt dus veel sneller diepgang, filosofisch gezien. Binnen een half uur is het gesprek op een punt, waar je anders meerdere uren voor nodig hebt – als je daar ooit al komt.
‘Ja, maar’, zei hij, ‘zo een activiteit kost toch ook tijd?’
‘Ja, zo is dat’, zei ik, en deed er even het zwijgen toe…‘In dat gesprek’, vervolgde ik toch maar ‘kon je ook goed zien wat ik zopas bedoelde met “betrokkenheid”. Een aantal deelnemers vroeg zich namelijk af wat het gebruik van dat woordje “we” betekende, in de uitspraak “we namen een besluit”. Hoe kon iemand nu zeggen dat “we” een groepsbesluit hebben genomen, terwijl hij helemaal niet wist hoe de anderen daarover dachten? Iemand noemde dat zelfs een “gewelddadige uitspraak” – “we hebben een groepsbesluit genomen.” Er werd immers ongezien iets over háár gezegd! En dat raakte haar diep. Voor anderen golden soortgelijke dingen. Nou, dan is er aardig wat te onderzoeken. Dat is vervolgens ook twee dagen lang gebeurd. En dat ging niemand in de koude kleren zitten.’
‘Ja, dat heb ik gehoord van een deelnemer uit die groep’, zei hij. ‘Nou ja, goed, ik zie nu wel dat je op die manier sneller je vooronderstellingen ter discussie moet stellen. Maar is dat nu een voordeel?‘
Ik was perplex! In één adem constateren dat vooronderstellingen sneller ter discussie gesteld moeten worden en je dan nog afvragen of dat een voordeel is. Nog voor ik bekomen was, ging hij door.
‘Die deelnemer vertelde mij dat het nogal verwarrend was geweest.’
‘Ja, dat klopt’, zei ik. ‘Er was veel verwarring, ook bij mij. Maar ja, dat kan zomaar gebeuren, hè, als je gaat filosoferen.’
‘Nou, ik vind een gesprek mooi als er rustig en ordelijk wijsgerig onderzoek wordt gedaan. Al dat gedoe, dat verstoort alleen maar. Ik hou gewoon niet van verwarring.’
Ik viel van de ene verbazing in de andere. Dat hij niet van verwarring hield, dat was mij gedurende het gesprek wel gaan dagen, maar de onbeschaamde erkenning ervan verwonderde mij. Er schoot mij ineens van alles door het hoofd – de prachtige verwoording die Meno gaf van zijn verwarring en de vergelijkbare woorden van Wittgenstein, eeuwen later: ‘Een filosofisch probleem heeft de vorm: “ik ben de weg kwijt”. Tja, daar houdt niet iedereen van. Dat heeft Socrates ook gemerkt – toen hij voor de rechtbank de Atheners vergeleek met mensen die niet in hun dutje gestoord willen worden, en die beginnen te slaan naar de vlieg die hen dan tóch komt storen. En ik zit hier aan tafel met iemand die socratische gesprekken begeleidt, maar zelf niet van verwarring houdt… Het zou een prachtvraag zijn voor een socratisch gesprek – “waar is verwarring goed voor?” Ik kijk naar mijn broodje rosbief en de nog volle beker karnemelk. Ik ga achterover zitten en merk dat ik zeer opgewonden ben. Ik voel iets door mijn lijf suizen, onbehaaglijk. Laat ík nu maar eens iets vragen.
‘Waar ik me nu over zit te verbazen, is dat jij zo stellig weet hoe dat gaat in zo een gesprek met die betrokkenheid en verwarring – je hebt er nog nooit aan deelgenomen. Hoe weet jij nu zo zeker dat je het bij het rechte eind hebt?’
‘Tja, ik kan mij gewoon inleven’, zegt hij, zonder een spier te vertrekken. ‘Ik hoef er niet aan deel te nemen. Ik voer vaak genoeg socratische gesprekken, ik weet precies hoe dat gaat.’
Het is alsof er een spiegel breekt. Met wie zit ik hier eigenlijk te praten?
‘Maar dan snap ik het helemaal niet’, zeg ik. ‘Als jij je zo goed kunt inleven in die gesprekken waar we het nu over hebben, dan weet je toch zo wel wat daar de voor- en nadelen van zijn? Dan heb je mij daar toch niet voor nodig? Waarom stel je mij dan al die vragen?’
‘Nou, ik ben eigenlijk benieuwd naar andere argumenten’, zegt hij. ‘Misschien zie ik iets over het hoofd. Kun jij mij overtuigen?’
‘Overtuigen? Waarvan dan?’, vraag ik.
‘Nou, om aan zo een gesprek mee te doen.’
Overtuigd willen worden? Precies weten hoe dat gaat? Misschien iets over het hoofd zien? Ik ben het spoor bijster.
‘Ik kan jou daar niet van overtuigen’, zeg ik. ‘Als je mee zou doen, merk je vanzelf wel wat het is, en of ik iets gezegd heb dat de moeite waard is.’
‘Maar als je niet kunt overtuigen, waarom schrijf je dan artikelen over het socratisch gesprek? Als jouw enige verhaal is: je moet het maar meemaken, dan hoef je er toch ook niet over te schrijven?’
‘Ja, dat is een goede vraag’, zeg ik en buig mij naar voren over de lunchtafel. ‘Ik zit mij dat ook vaak af te vragen, vaker dan mij lief is. Waarom zou je over socratische gesprekken moeten schrijven? En hoe moet je daar dan over schrijven? Dát is een interessante vraag!’
‘Nou ik moet weer eens gaan’, zegt hij. We gaan straks verder met een socratisch gesprek dat ik aan het begeleiden ben.’
Hij staat op, zegt mij gedag en verdwijnt door de deur.
Ik pak mijn beker met karnemelk en drink hem leeg. Ik kijk voor mij uit…[]